Meer over Friesland als veilige haven

Aflevering 4

Uitzending: NPO 2 op zaterdag 2 mei (15.30 uur) en zondag 3 mei (om 12.25 uur)
Omrop Fryslân regio tv op zondag 3 mei op alle uren vanaf 17.10 uur (na Hjoed)

 

- De eerste oorlogsdagen
- Rotterdamse kinderen naar Friesland
- De gevolgen van de bouw van de Atlantikwall
- Onderduikers
- Vluchtelingen uit oorlogsgebied
- Bronnen

De eerste oorlogsdagen

Al op de dag van de Duitse inval kreeg Leeuwarden te maken met evacués. Het ging om een groep van zo'n zevenhonderdvijftig joodse vluchtelingen die tot de 10de mei 1940 onderdak hadden gekregen in het kamp Westerbork. Vooroorlogse plannen hadden ingeval van een Duitse inval voorzien in evacuatie van de groep naar Zeeland, maar die zou pas mogen plaatsvinden nadat de vijandelijkheden waren gestart. In de ochtend van die eerste oorlogsdag wachtten de vluchtelingen op het station van Hooghalen op vervoer toen ze te horen kregen dat de spoorbrug bij Zwolle was opgeblazen. Daarmee was de weg naar het zuiden afgesneden. Zodoende werd als nieuwe bestemming Leeuwarden gekozen.
Lou de Jong beschrijft het vervolg in de Friese hoofdstad als volgt: 'Hun onderbrenging baarde veel zorgen. Zij zagen er, na hun overhaast vertrek uit Westerbork, haveloos uit; besloten werd, hen maar in de eenvoudigste wijken van Leeuwarden in te kwartieren, hetgeen (...) de nodige moeilijkheden veroorzaakte. Bovendien toonden, toen Leeuwarden een dag later bezet werd, sommigen met het oog op eventuele gevolgen een zekere angst om onder de gegeven omstandigheden aan Duitse joden huisvesting te verlenen. Anders gezegd. Een deel van de kampbewoners werd op straat gezet. Met gebruikmaking van kleine logementjes en van de joodse school werd toen het huisvestingsprobleem opgelost.' Een paar weken na de capitulatie keerden de joden terug naar Westerbork.

Friesland als veilige haven

Het joodse hotel De Duitsche Adelaar aan de Lange Marktstraat zorgde
voor 'koosjer' eten voor de honderden vluchtelingen uit Westerbork

Een andere groep die tussen 10 en 15 mei in het nauw werd gedreven waren de NSB-ers. Velen van hen werden opgepakt en geïnterneerd. Enkelen doken onder. De bekendste was Anton Mussert die een veilig onderkomen wist te vinden in het Gooi. Na de oorlog zou hij schrijven: 'Ik heb dus de eer te zijn Nederlands eerste onderduiker.' Of in Friesland ook NSB-ers zijn ondergedoken is niet bekend.

Rotterdamse kinderen naar Friesland
Na het bombardement op Rotterdam werden er voor de kinderen uit de getroffen havenstad uitzendingen naar Friesland georganiseerd. Zo belandden Johanna (Jopie) en Gerda (Gerrie) Reedijk op 29 juli in Oosterend. Daar werd de 14-jarige Jopie ondergebracht op de boerderij van de familie Bonnema. Haar vier jaar jongere zusje kwam bij de familie Kamstra terecht. Op 2 september keerden ze - een hele ervaring rijker - terug naar Rotterdam. Jopie heeft haar herinneringen aan die tijd gepubliceerd in het boek 'Overleven' (Oosterend 1990).

Lijst van de kinderen uit Rotterdam met de namen van hun gastgezinnen in Oosterend
(bron: Reedijk, Jopie, Overleven 1940-1945 (Oosterend 1990) p. 30)

De gevolgen van de bouw van de Atlantikwall
In de jaren 1942 tot en met 1944 werd ook de Nederlandse kust onderdeel van de Atlantikwall. Het betekende dat veel bewoners van kustplaatsen hun huizen moesten verlaten en elders onderdak moesten zien te vinden. Inwoners van Den Helder en Velsen kwamen vooral naar Friesland.

Lijst van aantallen door verschillende Friese en Groningse gemeenten op te nemen inwoners van Velsen
(bron: Archieven Provinciale en Gedeputeerde Staten van Friesland 1919-1961, inv.nr. 3448)


Uit de lijst is af te leiden dat het om vele duizenden personen ging die een plek moesten krijgen. Vreemd genoeg is over deze groep geëvacueerden tot op heden niet veel bekend. Wellicht ligt de verklaring aan de nog grotere instroom van evacués en vluchtelingen in het laatste oorlogsjaar.

Onderduikers
Het aantal onderduikers ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in Friesland wordt geschat op 23.000. Dat Friesland een ideale plek was om onder te duiken had te maken met drie factoren. Ten eerste had de provincie door de Duitse inval nauwelijks schade opgelopen en had met uitzondering van de Waddeneilanden een relatief lichte Duitse bezetting. Belangrijker was de omstandigheid dat er een uitgestrekt platteland was waar veel afgelegen boerderijen en huizen een goede mogelijkheid boden tot onderduiken. De laatste belangrijke factor was dat er regelmatige scheepvaartverbindingen tussen Amsterdam en Friesland waren. De veerboot van Lemmer is de bekendste maar daarnaast waren er ook beurtvaarders die voor vervoer konden zorgen.
Er ontstond al relatief vroeg een netwerk van contacten tussen de Randstad en Friesland dat kon worden gebruikt voor het onderbrengen van onderduikers. Dit illegale netwerk zou opgaan in de LO, de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers. De organisatie had een eerste zwaartepunt in Sneek van waaruit de onderduikers over de rest van de provincie werden verspreid. Een tweede zwaartepunt was Leeuwarden.

In de stroom onderduikers die zijn weg naar Friesland vond zijn diverse groepen te onderscheiden. De eerste groep bestond uit joden die zich aan deportatie naar Polen wensten te ontrekken. Het is wrang dat relatief weinig Friese joden konden onderduiken omdat de illegale organisatie hiervoor nog niet tot stand gekomen was toen de deportaties in 1942 begonnen. Toen de joden in het getto van Amsterdam zouden worden gedeporteerd was het onderduiken beter georganiseerd en was de naïviteit bij meerdere mensen verdwenen. Men geloofde niet meer dat de joden na deportatie een menselijk lot te wachten stond. Het aantal joodse onderduikers in Friesland wordt geschat op 3.000.


Geopende ingang van de schuilplaats voor onderduikers en van de bergplaats voor wapens in de RHBS te Sneek.
De foto is waarschijnlijk kort na de Tweede Wereldoorlog gemaakt.
(bron: Fries Fotoarchief, fotonummer 173)


De tweede groep betreft de verzetsmensen die door de Duitsers werden gezocht. Deels kwamen ze van buiten Friesland. Bij de grootste groep ging het evenwel om mannen en jongens die niet naar Duitsland, Oostenrijk of Frankrijk wilden om te werken of dichterbij huis naar Drenthe of Gelderland om daar tankvallen te graven. Kleinere groepen onderduikers waren de studenten die de ariërverklaring niet wensten te tekenen en bemanningen van neergestorte geallieerde vliegtuigen. De laatsten wilden het liefst zo snel mogelijk terug naar Engeland. Er was een ingewikkeld illegaal netwerk dat hen probeerde te helpen via Zwitserland of Spanje te ontsnappen. Zie hiervoor ook bij Oorlog boven Friesland.

Onderduiken was niet gemakkelijk. Allereerst moest men een vertrouwd onderduikadres vinden. Verder moest men valse papieren hebben: persoonsbewijzen en distrubutiebescheiden etc. De LO slaagde er steeds beter in in al deze behoeften te voorzien. Bij het vinden van onderduikadressen speelden de netwerken van predikanten en onderwijzers een belangrijke rol.
Onderduikers kwamen vaak in een totaal andere wereld terecht. De overgang van de stad naar het platteland was groot. Men moest wennen aan ander eten en vaak een andere taal. Het was van belang zich zoveel mogelijk aan te passen om de kans op ontdekking zo klein mogelijk te maken. Dat lukte de één beter dan de ander.
Sommige onderduikers konden niet leven met de spanning die de onderduik met zich meebracht. De joodse Leentje Hofstede uit Rotterdam was ondergedoken bij de familie Jacobus de Jong en Geertje Hiddema in Opeinde. De voortdurende angst voor arrestatie maakte haar zo depressief dat ze zich verdronk in de Ald Feart. Pas negen dagen na haar dood werd het stoffelijk overschot gevonden. Ze werd eerst begraven op het erf van De Jong. Kort na de oorlog is haar lichaam opgegraven en op 21 augustus 1946 herbegraven op de hervormde begraafplaats te Nijega.
Onderduiken was riskant, zowel voor de onderduikers als de gastgezinnen. Gastgevers konden (zwaar) worden gestraft. Daar kwam bij dat er fel op onderduikers werd gejaagd. Bij de opsporing werd gebruik gemaakt van verraders. Voor joden gold dat elke aangegeven onderduiker geld opleverde. Ook Friesland kreeg te maken met jodenjagers. Eén van de meest beruchte was Frans Vergonet, die in 1943 door het verzet werd geliquideerd.
Na de bevrijding begon het opduiken. De meeste onderduikers konden geleidelijk aan weer naar huis. Voor de joodse onderduikers was dit vaak een ingewikkelde zaak. Velen kwamen er achter dat het grootste deel van de familie was omgekomen in de kampen.

Vluchtelingen uit oorlogsgebied
Roermond werd vanaf eind 1944 een frontstad, met alle gevolgen van dien. Met ingang van 22 januari 1945 werden de inwoners van de Maasstad en de omliggende dorpen naar veiliger oorden gebracht. De organisatie van deze operatie was in handen van het in 1939 opgerichte Bureau Afvoer Burgerbevolking (BAB).
De inwoners moesten eerst met winterse temperaturen lopend naar het Duitse plaatsje Brüggen, een tocht van zo'n vijftien kilometer. Daar moesten ze vervolgens wachten op een trein die hen naar Noord-Nederland zou brengen. Die treinreis in veewagons duurde lang en was bovendien zwaar vanwege de kou en de honger, maar ook vanwege het gevaar van geallieerde beschietingen. Dat overkwam Jan Dosker, die begin februari met zijn moeder, twee broers en evenveel zusjes Roermond verliet. De treinreis werd onderbroken in het plaatsje Hamminkeln, waar de trein het doelwit werd van Engelse jachtvliegtuigen. Jans moeder en zijn twee broers kwamen daarbij om het leven. De twee zusjes raakten gewond, waarvan één ernstig. De twaalfjarige Jan reisde verder naar Leeuwarden waar hij werd opgevangen door mevrouw Cath aan de Willemskade.
In Leeuwarden werden diverse gebouwen ´geschikt´ gemaakt voor de eerste opvang. De evacués konden in de Harmonie of Zalen Schaaf eten en in De Beurs of één van de zeven daartoe ingerichte scholen overnachten. De Julianaschool aan de Tweebaksmarkt was daar één van.

De Julianaschool aan de Tweebaksmarkt in Leeuwarden.
De school was één van de opvangplekken voor evacués voordat ze in Leeuwarden of elders in de provincie onderdak kregen.


Het verblijf bij het Friese gastgezin ging niet altijd over rozen. Er waren grote verschillen, o.a. wat het boerenbedrijf betreft. Daarnaast was er het verschil tussen de katholieke Limburgers en de vooral gereformeerde Friezen. Soms kon de liefde die verschillen overbruggen, maar soms ook niet.

Naast Roermond en omgeving werden ook Arnhem en later de Betuwe oorlogsbieden, van waaruit veel inwoners in Friesland terecht kwamen. In de Hollandse steden was het vooral de honger waardoor mensen in de laatste oorlogswinter lange en zware tochten ondernamen naar de voedselrijke provincies.

Bronnen
Jong, L. de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage 1969-1994), dl. 3
Noord, Eddy van der, 30.000 evacués: Limburg en Friesland verbonden door de oorlog (Grou 2011)
Reedijk, Jopie, Overleven 1940-1945 (Oosterend 1990)
Schaaf, Ype, Laarzen op de Lange Pijp: Leeuwarden in de Tweede Wereldoorlog (Franeker 1994)
www.eenlaatstesaluut.nl